|
Mijn enige zoon Jan is nu 22 jaar oud en gezond en wel. Niets bijzonders op zich toch? Voor mij wel. Voor mij is het heel bijzonder dat mijn zoon gezond en wel is, en bovendien heel gelukkig.
Er zijn periodes geweest dat ik er zeker van was dat ik hem zou verliezen. Niet
alleen uit het oog of uit het hart, maar ik was er soms van
overtuigd dat hij niet oud zou worden. Dat op een dag de politie
voor de deur zou staan en mij zou vragen of zij even binnen mochten komen,
want datgene wat zij te vertellen hadden, daar konden we beter even bij gaan
zitten. Jan
was een kind zoals alle andere. Geen hoogvlieger als het om school gaat, maar
ook niet het suffertje van de klas. Hij was wat je zegt een gewoon gemiddeld
kind. Hij hield veel van buiten spelen, voetballen, hutten bouwen, skateboarden,
en binnen te vaak voor de televisie en de Nintendo. Vaak druk, maar over het
algemeen een lief, vrolijk en gezeglijk kind waar goed afspraken mee waren te
maken, zelfs al op jonge leeftijd. Hij zag er leuk uit, dat doet hij nog steeds,
en was, en is, bij iedereen in de familie en vriendenkring geliefd. Toch
zit er ergens in het midden van dit laatste stukje het venijn. Na al deze jaren
weet ik dat ik mijzelf niets kwalijk mag nemen wanneer het gaat om de vraag hoe
en waarom mijn kind verslaafd is geraakt. Maar schuldgevoel is niet iets wat je
onder de douche van je af kan spoelen, en ja, ik voel mij wel degelijk schuldig.
Op zijn minst medeverantwoordelijk:
Ik heb Jan namelijk op een te jonge leeftijd te veel vrijheid en de daarmee
samenhangende verantwoordelijkheid gegeven. Ik kan mij natuurlijk heel makkelijk verschuilen achter het excuus dat ik een
alleenstaande moeder was in die tijd, en dat ik moest werken voor ons beiden om
rond te kunnen komen, wat ik naar eer en geweten heb gedaan. In de bijstand
zitten was voor mij geen alternatief; ik moest wel……maar was dat wel echt zo?
Dit vraag ik me vandaag de dag nog regelmatig af. Gedane zaken nemen geen keer, maar wanneer ik
de kans zou krijgen om het over te mogen doen met de ervaring die ik nu heb, dan
weet ik nog zonet niet of ik het weer op die manier zou aanpakken.
Waren die auto, die merkkleding en die buitenlandse vakantie nu werkelijk zo
noodzakelijk? Of hadden we wellicht ook zonder dat gelukkig kunnen zijn wanneer
ik er meer was geweest voor Jan? Ik wilde toch zijn moeder zijn, en niet zijn
bankrekening? Ik weet het; het is achteraf gepraat waar je nu niets meer aan hebt. Toch heeft het
mij goed gedaan om er bij stil te staan. Ik ben er een stuk nederiger van
geworden en ik zit niet meer zo vol van die oh zo belangrijke trots, van: “Kijk mij
dan, ik ben dan wel een alleenstaande moeder, maar mijn kind heeft het niets
minder dan het jouwe hoor!” Nee, daarvan ben ik wel genezen. Als
ik zou moeten zeggen wanneer Jan de fout in begon te gaan, dan denk ik dat hij een
jaar of vijftien was toen ik begon door te krijgen dat hij drugs gebruikte. Als
modern mens deed ik daar niet echt heel moeilijk over. Ik heb tenslotte in mijn
schooltijd ook wel eens een stickie gerookt, en heel af en toe, als ik in de
gelegenheid was, rookte ik ook toen nog gewoon vrolijk mee. Jan had het ook
uitsluitend over wiet en ik zag er geen probleem in zolang hij zijn school er
niet onder liet lijden. Dus in het weekend of zo bij gelegenheid, ach, zo erg
was dat toch niet? Tsja,
ik was zo men zegt ziende blind. Want de wiet uit de jaren zeventig was om te
beginnen wel iets heel anders dan de wiet van nu. Was het werkzame bestanddeel (THC)
destijds 5%, tegenwoordig is dat zomaar zo’n 50%. Het duurde dan ook niet
heel lang voor Jan ook andere middelen begon uit te proberen. Binnen anderhalf
jaar was mijn zoon zeer zwaar verslaafd aan de cocaïne. Er verdween op topdagen
ongeveer zes gram in zijn basepijp. Dagelijks dus wel te verstaan. Ik
hoef denk ik niet uit te leggen welk effect dit heeft gehad op ons gezin. Er was
geen gewone dag meer. Altijd waren er spanningen. Was het niet om Jan zelf
omdat we weer eens niet wisten waar hij uithing en wat hij aan het doen was, dan
was er wel weer iets in huis “zoek”, of ik trof op zijn kamer weer een
bewijs van de leugenachtigheid van een verslaafde aan. Bijvoorbeeld het paspoort
en de portemonnee die hij kort daarvoor zomaar had verloren….en die natuurlijk
inmiddels met alle moeite door hem zelf, maar op onze kosten al weer waren
vervangen. Zijn eigen bezittingen verdwenen als sneeuw voor de zon. Ik stond er
met mijn neus bovenop en wist van te voren wat er ging gebeuren als “een
vriend” die ik nooit gezien had weer eens iets moest “lenen”; nooit meer
terug gezien natuurlijk. En er was ook die vriendelijke jongen die op een
flitsende scooter compleet met mobieltje, die even wat CD’s en
computerspelletjes kwam ruilen met Jan, hele attente en vriendelijke jongen
hoor! “Dag mevrouw en meneer; een fijne avond nog hoor”! Ik zie hem nog
zwaaien………. Ja;
dat was de thuisleverancier van de coke voor Jan. Nooit
kon ik op tegen het vergif dat Jan die dingen liet doen, nooit ben ik in staat
geweest om tot Jan door te dringen en hem te laten inzien dat zijn leven zo
niets waard was, wat ik ook zei. De drugs wonnen
het uiteindelijk ook van mij. Weliswaar gebruikte ik ze niet, maar toch. In
de zomer van 1999 bereikte ik mijn dieptepunt. Ik was wat je noemt compleet
beurs. Geen kracht meer om welke strijd dan ook meer aan te gaan. Jan zwierf
voor het grootste gedeelte op straat en als we al wat hoorden, dan was dat niet veel
goeds. Wel ging hij, heel tegenstrijdig, met regelmaat naar bijeenkomsten van
het C.A.D. Wanneer ik het dan niet meer uithield om hem niet meer te zien,
wachtte ik hem daar op, nam hem in mijn armen en knuffelde ik hem helemaal fijn.
Nam hem mee naar een horeca- gelegenheid, liet hem goed eten en verse jus
d’orange drinken, gaf hem wat hij vroeg en weg was ie weer. In zijn vergiftigde
brein dacht hij in die periode dat hij het wel goed deed. Tijdens die
ontmoetingen praatte hij tegen me alsof hij een hele oude bekende van vroeger
tegen het lijf liep. Je weet wel hoe dat gaat: Hé, hoe is het met jou? Jaaa,
goed hoor….bla, bla, bla……Nou leuk, het beste ermee hè! Lucht dus. In
die periode maakte ik kennis met iets waar ik tot dan toe alleen nog maar van
had gehoord. Hartepijn. Een pijn in je hart die er continue is. Het maakte mij
nog vermoeider en beurser dan ik al was en nog minder in staat om ook maar één
positief ding te kunnen doen. Mijn dagen bestonden uit werken op de automatische
piloot en suf op de bank hangen. Er was maar weinig wat nog echt tot me
doordrong. In feite was ik achteraf gezien ook een beetje aan het doodgaan. Tot
er in het najaar van 1999 een artikel in “Het Parool” stond van twee moeders,
Nel en Anneke, met allebei een verslaafde zoon waarvan er één in een gemeenschap
in Italië was gaan wonen en waarmee het al twee jaar heel erg goed ging. Ik
weet nog als de dag van gisteren dat mijn man mij er op attent maakte. Hij zei:
“Dit moet je eens lezen”. En ik vroeg nurks: “Wat is dat dan?” Hij zei:
“Misschien een oplossing voor Jan”. Ik pakte de krant aan, keek er twee
tellen naar en zei: “Huh, wat moet dat dan wel weer niet kosten?”. Dwars en
lamgeslagen als ik was in die tijd. Nu werd mijn man, wiens bijnaam
“Geduld” is, boos. En om een lang verhaal kort te maken: ik heb het artikel
gelezen, misschien wel tien keer. We hebben Jan erover verteld en hij stond er
niet onwelwillend tegenover. We zijn naar een informatiebijeenkomst gegaan en
direct na afloop vroeg Jan heel voorzichtig: “Mama, wanneer kan ik daarheen
gaan denk je?”. Die
bijeenkomst was in november1999. Op 10
Januari 2000 is Jan met zijn vader naar het Cenacolo-huis gegaan ergens in Europa. De daartussen gelegen tijd was beslist geen pretje. Jan werd nog
opgepakt voor auto-inbraken en kwam in de cel terecht. Maar met de medewerking
van een behulpzame rechercheur heeft Jan toch de kans gekregen om zijn leven te
beteren en was hij vrij om te vertrekken. Hij
heeft het zeker niet gemakkelijk gehad dat eerste halfjaar , daarna ook nog niet
direct, maar heel langzaam aan ging het elke dag een stukje beter met
hem. Ruim drie jaar
is hij nu in de Gemeenschap. Na zijn eerste jaar is hij een klein jaar in een
gemeenschapshuis in Italië geweest, en nu is hij alweer ruim een jaar in Frankrijk.
Hij spreekt inmiddels vijf talen en heeft zich bekeerd tot het katholieke geloof.
Alhoewel hij zonder godsdienst is opgevoed, zegt hij nu dat het gebed hem heeft
gered. En ik heb geen reden om daar aan te twijfelen. Als
ik Jan nu zie, zie ik een gelukkig iemand. Het maakt mij werkelijk niets meer
uit of hij nu zijn hele leven in de gemeenschap wil slijten of dat hij
terugkomt naar huis. Maar,
eerlijk is eerlijk, in die beginperiode heb ik het er ook heel moeilijk mee
gehad dat hij weg was. Toen
ik hem uiteindelijk weer mocht zien was dat heel emotioneel. Eigenlijk niet te
beschrijven. Hij zag er supergezond uit, dertien kilo aangekomen. Als je niet
beter wist zou je je afgevraagd kunnen hebben wat zo’n gezonde jongen daar nu
eigenlijk deed? En zo zien alle jongens er daar uit: gezond, fris en verzorgd. Maar
schijn bedriegt. Met zo’n zware verslaving is het niet mogelijk om met een
paar maanden weer sterk genoeg te zijn om het leven in onze hedendaagse
maatschappij weer aan te kunnen. Het lichamelijke herstel is het eerste. Maar
het geestelijk sterk genoeg worden, dat heeft wel een paar jaar nodig. Ook
nu nog zie ik Jan maar een paar maal per jaar. Niet vaak genoeg naar mijn zin.
Maar inmiddels is onze band van dien aard, dat we dat allebei aankunnen.
Nogmaals: de wetenschap dat het hem goed gaat en dat hij gelukkig is, is nu
voldoende. Ik
heb de gemeenschap leren kennen door er voor een paar weken in te gaan wonen, en
zo alles mee te maken en mee te beleven wat de jongens de hele dag doen.
Hierdoor heb ik een goed beeld gekregen van Jan zijn huidige levensstijl, en
kan ik me hem voor de geest halen in zijn omgeving. Dat sterkt me, want ik weet
dat het een goede omgeving is waar ook niet-verslaafden nog een heleboel zouden
kunnen leren. |
|
|